Vervolgvragen van raadslid H.J. van Cuijk (VVD) ex. Art 3:38 RvO naar aanleiding van de zienswijze van de Algemene Kamer van de commissie voor Bezwaar en Beroepschriften inzake de 3 bouwplannen Steenstraat-Zuid.
15 september 2009.
Geacht college.
Ter aanvulling op mijn eerdere vragen van 16 juli 2009 verzoekt ondergetekende antwoord op de volgende vragen.
Op 7 juli 2009 bracht voorgenoemde commissie advies uit inzake de ingediende bezwaarschriften van omwonenden tegen het besluit van B&W van van 16 september 2008 om met vrijstelling een bouwvergunning 1e fase ter realisatie van 28 appartementen hoek Sambeekseweg-Bocstraat (plan Renkens, tegen het besluit van B&W van 9 september 2008 om met een binnenplanse vrijstelling een bouwvergunning 1e fase voor de oprichting van 57 appartementen met parkeerkelder aan de Steenstraat-Van Sasse van IJsseltstraat te Boxmeer (plan Voermans), en tegen het besluit van B&W van 23 december 2008 om met vrijstelling een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van 45 appartementen en 1 grondgebonden woning aan de Steenstraat en de Carmelietenstraat-Oost (plan Berkvens).
De eindconclusies van eerdergenoemde commissie zijn duidelijk: het college van B&W heeft drie maal ten onrechte en op onjuiste gronden vrijstelling verleend.
Vraag 1: Wat gaat het college doen naar aanleiding van de conclusies van de BBcommissie ?
Vraag 2: Welke consequenties met betrekking tot zijn functioneren verbindt de wethouder aan de uitspraken van de B&Bcommissie ? En in welke mate neemt de wethouder de verantwoordelijkheid voor het ambtelijke falen op zich ? Dit mede gezien het gegeven dat ondergetekende midden november 2008 de wethouder in een persoonlijk gericht mailbericht er op attendeerde dat de gevolgde procedures wel eens onzorgvuldig zouden zijn en derhalve vragen stelde "om zekerheid te verkrijgen aangaande de correctheid van de door de gemeente gevolgde instemmingsprocedures (voor de bouwplannen/3 bouwvergunningen) en ter voorkoming dat de gemeente alsnog de gegunde instemmingen moet intrekken, hetgeen natuurlijk - politiek gezien - een enorme blamage zal betekenen".
Vraag 3: Wordt het niet tijd dat het college - met inachtneming van hetgeen de commissie voor bezwaar en beroepschriften heeft gesteld in zijn advies van 7 juli 2009 - onmiddellijk een open en transparante dialoog start met betreffende projectontwikkelaars, omwonenden, kopers van 'Lofts' en de eigenaar van het LPG-tankstation ? Ten einde op behoorlijke wijze te bewerkstellen dat maatschappelijk aanvaardbare en bij het straatbeeld passende woningbouw aldaar alsnog kan worden gerealiseerd.
Vraag 4: Mag van het college worden verwacht dat - zo zulks in gang wordt gezet - dan maandelijkse aan de raad wordt gerapporteerd over de voortgang en stand van zaken van deze dialoog ?
De wethouder heeft persoonlijk geparticipeerd in zakelijke artikelen in de media (o.m. in weekblad De Trompetter en Boxmeers Weekblad van 14 januari 2009) waarin hij stellig voorgaf dat het met de bouw van 'Lofts' wel goed zat, terwijl hij op dat moment wist dat er nog de verschillende bezwaarprocedures liepen.
Vraag 5: Vindt U het behoorlijk dat een lid van het college participeert in private zakelijk activiteiten en deze activiteiten promoot ?
Vraag 6: Vindt U het behoorlijk dat een lid van het college zakelijke activiteiten promoot, wetende dat hij geen zekerheden hier aangaande kan bieden ?
Vraag 7: Vindt U het behoorlijk dat een lid van het college daardoor willens en wetens jonge starters misleidend heeft gestimuleerd om tot koop over te gaan ?
Naar aanleiding van een gesprek met een aantal jonge kopers van 'Lofts', liet de wethouder op 30 juni 2009 in de media weten dat hij bij zijn uitspraak blijft, dat wat hem betreft "daags na 21 juli de eerste schop de grond in gaat"
Vraag 8: Vindt U het behoorlijk dat de wethouder deze uitspraak deed, gelet op de lopende bezwaarschriften ?
Vraag 9: Welke consequenties met betrekking tot zijn functioneren verbindt de wethouder aan zijn uitspraken van 14 januari en 30 juni in de media ? En in hoeverre neemt de wethouder de verantwoordelijkheid hiervoor op zich ?
Vraag 10: In hoeverre vindt U dat de wethouder door zijn handelwijzen het vertrouwen (van de burger in het algemeen en de 25 jonge kopers van de 'Lofts' in het bijzonder) in het bestuurlijk functioneren heeft geschaad ?
Vraag 11: In hoeverre vindt U het noodzakelijk dat de wethouder en het college nadrukkelijk hun welgemeende excuses moeten aanbieden aan de 25 jonge kopers van de 'Lofts' ?
HJ van Cuijk.
VVD afd. Gemeente Boxmeer